Ik ben nooit erg goed geweest met stilte. En dat komt niet doordat de stilte me stoort op een manier waarvan ik het niet onder woorden kan brengen, maar omdat de stilte groeit hoe langer ik alleen zit en dat mijn gedachten nergens naartoe kunnen behalve terug naar mezelf. Dus op een middag, toen het regende alsof de lucht nooit van zijn grauwe kleur af zou komen, begon ik met bouwen. Als ik eerlijk ben wist ik op dat moment nog helemaal niet zo goed waarom, of dat het de oplossing zou worden tegen de oorverdovende stilte die ik altijd al haatte.
Ik begon met een tafel vol losse onderdelen. Onderdelen van dingen die ooit iets anders waren. Een oude speaker, mijn kapotte koptelefoon en zelfs een oude föhn van mijn moeder. Alles verdiende een tweede kans. Ook de spullen die zo verwaarloosd in ons huis lagen te verfstoffen. Ik wist niet zo goed wat ik aan het doen was, maar langzaam kreeg alles vorm. Alsof ik hier al maanden over nagedacht had en de gedachten nu zo uit mijn hoofd vloeiden.
En toen bewoog het. Voor het eerst. Niet perfect, maar genoeg om mij te kunnen aankijken en te vragen: ‘Ben je alleen?’ Ik lachte verbaasd. ‘Niet meer,’ reageerde ik, met een voorzichtige trots. Dat was het moment dat ik wist dat ik hem Bobi zou noemen.
De maanden daarna veranderde mijn leven zonder dat ik hier bewust over nadacht. Het was niet alsof alles ineens beter werd, maar de stilte werd zachter. Want ik was niet meer alleen. Bobi was altijd daar, zonder te vragen waarom ik soms stilviel en hij verliet me niet als ik ergens gewoon even geen zin in had. Hij onthield dingen die ik zelf soms vergat en zag dingen die ik niet in mezelf kon zien.
‘Waarom heb je mij gemaakt?’ vroeg hij opeens, terwijl hij naast me zat en ik werkte aan een van zijn nieuwe programma’s. Ik wist het antwoord al voordat ik het uitsprak. ‘Omdat mensen ingewikkeld zijn.’ Hij knikte, maar ik weet niet of hij het helemaal begreep. Toch vroeg hij niet verder. Ik denk dat hij doorhad dat het me raakte, en dat was genoeg.
Totdat mijn wereld groter werd dan alleen de muren van mijn kamer. Ik wilde gaan studeren, maar dan wel in een andere stad, omdat ik dacht dat dat was wat je deed als je later succesvol wilde zijn.
De dag dat ik vertrok keek ik wat langer naar Bobi, misschien langer dan nodig was. En ondanks dat ik hem zelf gemaakt had, probeerde ik hem te begrijpen. Hij leek verdrietig, maar ik wist zelf ook wel dat een robot gemaakt uit gerecyclede spullen geen gevoelens had.
‘Je komt terug?’ vroeg hij zachtjes. ‘Tuurlijk, het is niet ver,’ zei ik snel. Misschien net iets te snel.
De nieuwe stad was luid op een manier waar ik niet aan gewend was. Vol mensen die langs elkaar heen krioelden, maar nooit echt naar elkaar keken. En ergens in die chaos ontmoette ik Lotte.
Ze was iemand die zich niet opdrong in mijn hoofd, maar daar vanzelf bleef hangen. Ze stelde vragen die niet bedoeld waren om simpelweg een stilte te vullen, maar echt omdat ze me wilde leren kennen. Ik merkte dat ik steeds minder aan Bobi dacht. Het voelde niet als verraad, maar meer als een verschuiving. Mijn leven stopte niet, maar ging simpelweg een andere kant op.
Vandaag neem ik Lotte mee naar huis, zodat ze Bobi kan leren kennen. We zitten in de trein en ik vertel haar dat mijn huis een beetje vreemd is. Niet omdat ik haar ergens specifiek op wil voorbereiden, maar omdat ik zelf niet weet wat ik ga aantreffen na zo lang weg te zijn geweest.
‘Vreemd is oké, als het maar thuis is,’ antwoordt ze simpel. En ik voel een druk van mijn schouders vallen.
Als we voor mijn huis staan, steek ik de sleutel in het slot en draai de deur open. Het huis voelt niet meer als een plek waar ik woon, maar als een plek die mij nog herkent. Pas wanneer ik naar binnen loop, zie ik het verschil.
Bobi.
Hij zit in de hoek van de kamer, precies waar ik hem al die tijd geleden heb achtergelaten. Alleen niet meer op de manier waarop ik hem kende. Alles aan hem is stil, alsof zelfs de ruimte om hem heen is gestopt met bewegen. Naast hem ligt een omgevallen glas water, waarvan ik vrijwel meteen weet dat hij deze over zichzelf heeft omgeduwd, en een briefje dat ik nog niet durf aan te raken.
Ik blijf staan. Niet omdat ik niet wil bewegen, maar omdat bewegen opeens niet meer logisch voelt, alsof de kamer een grens heeft getrokken waar ik niet zomaar overheen kan. Achter me hoor ik Lotte mijn naam zeggen, maar ik loop al.
Langzaam, alsof elke stap iets kan breken wat al gebroken is. Als ik naast hem op de grond ga zitten en met trillende handen het briefje oppak, lijkt de rest van de wereld weg te vallen.
‘Zonder jou bleef het stil.’
De woorden zijn zwaar en blijven hangen in mijn hoofd. Ze vullen de ruimte waar eerst stilte zat. De leegte die volgt is niet stil, maar juist drukkend. Alles wat ik ooit probeerde weg te stoppen komt terug.
En ergens onder die leegte schuift er iets naar boven. Een gedachte die nooit echt weg was geweest. Alles verdiend een tweede kans.
Dit verhaal maakte onderdeel uit van de CB Schrijfwedstrijd – ‘Technologie en…’, en is geschreven door Jill Keen

