Schrijfwedstrijd ‘Technologie en…’ – Flarden van ons

‘Zucht.’

Mijn scherm licht op voordat ik iets doe.

Een melding. Nog één. Nog één.

Ik heb hem niet aangeraakt.

Mijn hoofd volgt meteen. Alsof er iets in mij meebeweegt. Gedachten vormen zich in dezelfde snelheid als het scherm: snel, fragmentarisch, nooit af. Ik begin iets te denken en nog voordat het er is, weet ik al waar het heen gaat.

Alsof ik mezelf voor ben.

Of ingehaald.

Ik probeer één gedachte vast te houden.

Waarom zijn we hier?

De vraag blijft even hangen. Zwaarder dan de rest.

Maar niet lang genoeg.

Nog voordat hij vorm krijgt, schuift er iets overheen. Een beeld. Een herinnering. Iets wat ik gisteren zag, of ergens anders, of misschien helemaal niet van mij is.

Alsof zelfs mijn vragen al ergens vandaan komen.

Ik heb geprobeerd te geloven dat er een doel is.

Dat alles ergens naartoe beweegt.

Het voelde beter. Rustiger.

Maar zelfs dat voelde gekozen.

Alsof ik alleen de versie selecteerde die het beste werkte.

Een trilling in mijn hand.

Ik kijk. Natuurlijk kijk ik.

Drie puntjes verschijnen. Iemand typt.

Mijn hartslag versnelt. Mijn lichaam reageert al voordat ik iets besluit. Dit is iets. Dit is contact.

Dan komt het bericht.

En het zakt weg.

Niet het bericht dat blijft staan, maar het gevoel. Alsof het moment al voorbij is zodra het arriveert.

Ik blijf even kijken. Wachtend op iets dat niet komt.

Ik leg mijn telefoon neer, maar mijn hand blijft er nog even op rusten.

Alsof hij me bij elkaar houdt.

Misschien is dat het probleem niet.

Dat er iets verschijnt.

Maar dat er altijd iets kán verschijnen.

Ik sta op en loop naar buiten.

Het licht valt hard binnen. Geen filter. Geen verzachting. Ik knijp mijn ogen samen. De lucht is helder, bijna te scherp, alsof alles net iets te direct is.

Mensen bewegen langs me heen. Een kind rent voorbij, zijn lach onverwacht luid. Zijn vlieger trekt schokkerig door de lucht, zonder duidelijk patroon.

Ik blijf staan en kijk.

Te lang misschien.

Verderop zit een stel op een bankje. Hun handen liggen in elkaar. Ze zeggen niets.

Ik wacht op iets. Een gevoel. Herkenning.

Maar het komt niet.

Het lijkt echt.

Maar ik voel het niet.

Alsof ik ernaar kijk door glas.

Mijn hand glijdt naar mijn zak. Mijn telefoon ligt er nog. Stil. Geen melding.

Toch haal ik hem tevoorschijn.

Het scherm licht op.

Duidelijk. Begrijpelijk. Hier weet ik wat er van me verwacht wordt.

Mijn duim beweegt. Scrollen. Nog een keer. Iemand lacht. Iemand zegt iets. Iemand wacht misschien op mij.

Dit begrijp ik.

Ik ga zitten op een bankje verderop.

Even later komt er iemand naast me zitten.

‘Hé.’

‘Hey!.’

Even stilte.

‘Alles goed?’

De vraag hangt tussen ons in.

‘Ja,’ zeg ik. ‘Gewoon… druk in m’n hoofd.’

Hij knikt. ‘Ja, same.’

We lachen kort. Niet omdat het grappig is, maar omdat het past.

Mijn telefoon ligt tussen ons in.

Niet bewust neergelegd. Maar ook niet weggehaald.

Het scherm blijft zwart.

Toch voel ik hem.

Hij zegt iets. Ik probeer te luisteren. Halverwege besef ik dat ik ben afgehaakt.

‘Sorry, wat zei je?’

Hij herhaalt het.

Halverwege kijk ik alweer weg.

Niet omdat ik wil, maar omdat er niets is dat me vasthoudt.

Ik wil hem aankijken.

Maar mijn aandacht blijft nergens lang genoeg.

Er zit iets tussen ons.

Niet groot. Niet zichtbaar.

Maar genoeg.

Misschien is dat het.

Niet dat we elkaar niet zien.

Maar dat we nooit meer op één plek tegelijk zijn.

Hij staat op.

‘Ik ga weer.’

‘Ja, is goed.’

We kijken elkaar kort aan. Alsof er iets had moeten gebeuren wat niet gebeurde.

Dan loopt hij weg.

Ik blijf zitten.

De wereld beweegt door. Het kind is weg. De vlieger verdwenen achter de gebouwen. Het stel zit er nog, maar zelfs dat lijkt minder scherp nu.

Mijn telefoon trilt.

Ik kijk meteen. Natuurlijk.

Mijn naam op het scherm. Iemand die me zoekt.

Voor een moment voel ik het weer die korte, scherpe lijn van verbinding. Alsof ik ergens binnenkom, ergens besta.

Mijn duim beweegt al.

Dan stopt hij.

Niet omdat ik het doorheb.

Maar omdat ik niet weet waar ik moet zijn.

Achter mij ruist de wind door de bomen. Voor mij blijft het scherm licht geven.

Ik voel hoe mijn aandacht zich splitst. Hier. Daar.

Beide trekken. Beide echt, op hun eigen manier.

Ik kijk naar het scherm.

Mijn reflectie verschijnt in het glas. Vervaagd, gebroken door het licht. Even lijkt het alsof ik naar iemand anders kijk. Iemand die wacht. Iemand die kiest.

En voor het eerst denk ik niet: dit klopt niet.

Maar: ik zie het.

Mijn duim zakt langzaam naar beneden.

Het scherm dooft.

Niet omdat het moet.

Maar omdat ik het even laat.

Ik kijk op.

De wereld is er nog. Onhandig. Ongefilterd. Niet wachtend op mij.

Iemand loopt langs me heen en kijkt kort op. Onze blikken raken elkaar, geen betekenis en geen vervolg.

Maar ik wijk niet uit.

Voor een moment blijf ik daar.

Zonder iets anders te openen.

De wind beweegt door de bomen, ergens verderop klinkt een lach die ik niet kan plaatsen. Het zijn kleine dingen. Los. Zonder bedoeling.

En toch, ik merk ze op.

Niet omdat ze bijzonder zijn.

Maar omdat ik er nog ben om ze te zien.

Mijn telefoon ligt stil in mijn hand.

Mijn reflectie is verdwenen.

Ik denk even dat ik iets mis.

Alsof er ergens nog iets op me wacht.

En dan, in flarden van tijd, heel even, voelt het alsof dat niet zo is.

Dit verhaal maakte onderdeel uit van de CB Schrijfwedstrijd – ‘Technologie en…’, en is geschreven door Jade Roelofs