Studeren met een functiebeperking #2

Mijn naam is Morena, ik ben derdejaars en heb een visuele beperking. Dit houdt in mijn geval in dat ik ongeveer 3 á 4 procent zie van wat iemand met normaal zicht ziet. Veel dingen in het leven worden daardoor een stuk ingewikkelder voor me. Bij studeren is dit zeker het geval. De meest eenvoudige dingen worden voor mij een hele uitdaging. In deze korte blogserie beschrijf ik welke obstakels ik door mijn beperking zo al tegenkom en hoe ik daar mee omga.

Groepsdynamiek

Als je een functiebeperking hebt, heb je altijd een achterstand op je medestudenten. Het maakt niet uit hoe hard je je best doet om erbij te horen: je zult net iets trager, net iets minder mentaal aanwezig zijn. Dit is iets waar je niets aan kunt veranderen, maar als je het accepteert valt er prima mee te leven. Ik zie mezelf bijvoorbeeld als een heel sociaal, kletserig persoon, maar wanneer ik tussen mensen ben die niet zijn zoals ik, die geen beperking hebben die hen remt in hun doen en laten, ben ik stil en afwezig. Hoe dat komt? Ik denk dat het per beperking verschilt. In het geval van de visuele beperking zou ik zeggen dat het komt omdat ik de non-verbale communicatie in de groep niet of nauwelijks mee krijg. De gebaartjes, het oogcontact en misschien zelfs stiekeme kleine briefjes die mijn medestudenten uitwisselen, gaan vrijwel volledig langs me heen. Dat er zo veel non-verbale communicatie is, is logisch: ik heb eens ergens gehoord of gelezen dat tachtig procent van onze communicatie non-verbaal is. Ik zelf merk ook dat ik bepaalde gezichten trek om dingen duidelijk te maken aan anderen, dat ik wijs, knik of met mijn hoofd schud. Dit doe ik automatisch niet bij blinde medemensen, maar dit is niet iets wat ik zou vragen van mijn medestudenten. Ik ben het gewend te communiceren met blinde en zeer slechtziende mensen en weet hoe ik mijn reacties zo verbaal mogelijk moet uitdrukken, maar voor al mijn klasgenoten was ik de eerste slechtziende met wie ze samenwerkten, misschien zelfs de eerste slechtziende die ze ooit ontmoet hebben. En daarom verwijt ik hen niets. Ik lag vaak net een streepje op hen achter, bevond me aan de rand van de groep in plaats van er middenin. En dat gevoel heb ik soms nog steeds wel.

 

Wederzijdse communicatie

Dit ligt uiteraard niet alleen aan de non-verbale communicatie van mijn medestudenten. Ik zelf moet ook open blijven over wat ik wel en niet kan, goed communiceren over de tekortkomingen die mijn slechte zicht me oplegt en niet dichtklappen. Daar heb ik soms last van en dat is op z’n zachtst gezegd niet echt handig. Dat dichtklappen gebeurt ook wanneer we groepjes moeten vormen voor een studieproject. Met vlugge blikken en kleine gebaartjes delen de studenten om me heen zichzelf en elkaar in. Ik zit er een beetje verloren tussen. Moet ik nu door de klas gaan roepen: “wie wil er met mij?” Die zin is op zichzelf al niet echt fraai, en daarbij, ik ben er niet goed in om mezelf op te dringen. Ik klap dicht en als gevolg daarvan rest me niets anders dan te wachten op het beschamende moment dat de docent ziet dat ik nog geen groepej heb, en me laat aanhaken bij een groepje dat er, voor mijn gevoel althans, niet op zit te wachten.

De voordelen

Laat ik dit stuk afsluiten met een wat positiever geluid: wat voor mij de voordelen zijn van werken in groepjes. Natuurlijk vindt de opleiding het belangrijk: goed leren samenwerken, elkaar feedback geven enzovoort. Daarnaast heeft het voor mij ook bijkomende extra voordelen. Ik werk voor een bepaalde periode intensief samen met een paar studenten, die ik als gevolg daarvan beter leer kennen, ook bij naam. Dit maakt dat ik ze makkelijker benader als ik een vraag heb of iemand nodig heb om met me mee te lopen naar het lokaal. Verder merk ik aan mezelf dat ik opener en actiever ben in een klein groepje waarbij de opstelling van tevoren bepaald is en vaststaat. In dat opzicht ben ik dus blij met projectgroepen.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.